Posts tonen met het label rouw. Alle posts tonen
Posts tonen met het label rouw. Alle posts tonen

zondag 11 november 2018

Allerzielen op straat


column voor de lokale krant het Groentje - Houtens Nieuws


Zijn ochtendwandeling gaat elke dag langs de begraafplaats, even langs bij zijn kleinzoon die niet ouder werd dan 8 jaar. Het is een vaste tussenstop in zijn rondje om het dorp. Eén avond in het jaar zijn deze grootouders niet alleen op de begraafplaats. Met Allerzielen zijn er heel veel mensen die met een lichtje in de hand door het donker lopen, om licht bij een graf te zetten. Ze gedenken hun geliefde doden. Een paar jaar geleden was ik er bij. Er zong een koor, er brandden vuurkorven. Het gedeelde verdriet was voelbaar terwijl mensen hun weg zochten door het donker. ‘Als alles duister is, ontsteek dan een lichtend vuur dat nooit meer dooft’ zong het koor, bijgelicht met kleine lampjes. Het ontroerde me.
Als de dagen in de herfst korter worden lijkt onze behoefte aan licht groter te worden. Ik zie mezelf weer kaarsen aansteken in huis. Het is alsof de breekbaarheid van het leven voelbaarder is als het donkerder wordt. ‘How fragile we are’ – die regel van Sting zingt door mijn hoofd.
Er zijn vele lichtfeesten in het najaar, ook in de kerken. Allerzielen is er één van; een moment waarop donker en licht bij elkaar komen. Het gaat over de doden die we liefhadden en nòg; het gaat over het donker van gemis; over onze kwetsbaarheid als mensen. En het gaat over licht: de warmte van goede herinneringen die je koestert en het licht van eeuwigheid waar je hen aan toevertrouwen wilt.
Verdriet om iemand die je verloren hebt wordt misschien minder rauw, maar slijt het ook? Ik hoor wel eens zeggen: het wordt niet minder. Hoe langer iemand er niet meer is, hoe meer gemis erbij komt. 
Op 2 november, Allerzielen delen we vanuit de kerken lichtjes uit op het Rond. En klein lichtje dat het leven van iemand die je lief was verbindt met het licht van God, licht dat nooit dooft. In kerken wordt in november stilgestaan bij verdriet en gemis dat niet zomaar over gaat maar deel is van het leven. Dat delen we met elkaar en met God.
 


Elke vrijdagmiddag van 16 tot 17 uur is er Gesprek &ZO, voor vragen over geloven, in Brasserie &ZO aan het Rond 58. Je bent welkom!

vrijdag 13 september 2013

Licht in het lijf

Ik mocht de afscheidsdienst leiden van een moeder van 3 jongens tussen 10 en 17 jaar oud. Prachtige mannen, met een dappere vader.
Ik had alle woorden afgewogen; muziek was zorgvuldig uitgezocht. Maar het mooiste moment had geen woorden nodig. Alle vrienden en vriendjes van de 3 zonen mochten naar voren komen om met hen een lichtje aan te steken. Lichtjes die ons helpen herinneren aan het Licht,zei ik erbij. Er waren er misschien wel dertig. Ze zetten waxinelichtjes om 3 kaarsen heen die de zonen hadden aangestoken. En ze zochten hun vrienden op, sloegen armen om elkaar heen en huilden. Terwijl de volwassenen in de banken zaten en helemaal vergaten om te zingen deelden ze hun verdriet, rond de kist met een overleden moeder.
Ik hoop zo dat het ritueel een restje licht in hen heeft achtergelaten. Licht in hun lijf, tegen het gemis in.


donderdag 30 mei 2013

In de krant.. de rol van kerken bij een crisis

De kerk als ruimte voor het delen van de vragen
Hanneke Goudappel
donderdag 23 mei 12:45
Ineens komt iets waar je van afstand naar hebt gekeken, je eigen wereld binnen. Zo omschrijft ds. Rebecca Onderstal uit Cothen het moment waarop de lichamen van de broers Julian en Ruben uit Zeist vlak buiten het dorp werden gevonden.
De lichamen werden zondag door voorbijgangers gevonden. ,,Die zondagmiddag hadden we als kerken van Wijk bij Duurstede en omgeving een grote pinksterviering op de markt in Wijk bij Duurstede. Daar was ook gebeden voor de kinderen. We waren aan het opruimen toen het bericht kwam dat de lichamen mogelijk waren gevonden.”

Schrik

Wijk bij Duurstede had al een extra betrokkenheid bij de situatie, omdat de vader van de jongens hier vandaan komt, en er familie en vrienden van hem wonen. ,,Nu was ook mijn eigen gemeente Cothen, ineens verbonden aan het vinden van de jongens”, blikt ds. Rebecca Onderstal, predikant van de protestantse gemeenten in Cothen en Wijk bij Duurstede, terug. ,,Ik kwam met grote schrik thuis.”

’s Avonds twitterde de predikante: ‘Ik zet de deur van onze kerk maar open.. kaars aan.. #cothen #protestantsekerkaandeBrink’. ,,Daar kwamen ontzettend veel reacties op via de sociale media”, vertelt ze.

Vervolgens heeft ze met de burgemeester gebeld. ,,We zijn in Wijk bij Duurstede een paar jaar geleden gaan nadenken over de rol van de kerken bij een crisis. Na de Bijlmerramp heeft de Protestantse Kerk in Nederland daarvoor een cursus ontwikkeld. Die hebben we als kerken in Wijk bij Duurstede gevolgd. Alle kerken hebben toen de intentie uitgesproken dat wanneer er iets zou gebeuren, wij voor de pastorale zorg zorgen.”

Verdriet en vragen

De burgemeester nam het aanbod van Onderstal om de kerk open te doen, aan. ,,Ook de katholieke kerk was open. De Mariakapel bij deze kerk is eigenlijk altijd open.”

Op maandagochtend was het vooral de pers die naar de kerken kwam. ,,Later die dag kwamen er ook veel mensen die even een kaars wilden opsteken. Ze konden iets opschrijven als ze dat wilden. Daar werd veel gebruik van gemaakt. Het was tweede pinksterdag, en was weinig open waar mensen elkaar konden treffen.”

Het ging niet om grote stromen mensen die de kerken bezochten, zegt Onderstal. ,,Het ging in de protestantse kerk om tientallen, in de katholieke kerk kwamen er nog meer mensen. Geen ramptoeristen, maar mensen met verdriet en heel veel vragen. Je ziet bijvoorbeeld mensen voor wie deze gebeurtenis raakt aan oud verdriet. Aan iets heftigs wat ze zelf hebben meegemaakt. Ook kwam ik mensen tegen die zelf met een scheiding hebben te maken (gehad). De teneur was verbijstering.”

Koffie

Terugkijkend meent Onderstal dat de kerk openstellen het beste is wat je als kerkelijke gemeente kunt doen in een crisissituatie. ,,Veel meer hoeft niet. Zorg dat er kaarsjes zijn, zorg voor vrijwilligers en zet koffie.”

,,Ik vergelijk de kerk met een vriendenkring – een stenen beeld van mensen in een kring, die de armen om elkaar hebben geslagen, met in het midden het Licht”, zegt Onderstal. ,,In een situatie als deze zoeken mensen vaak naar schuldigen, op wie ze hun boosheid kunnen richten. De kerk is een plek die de ruimte biedt voor de vragen, en die ze openlaat. Een plek waar je een lichtje aansteekt, als teken van hoop, van verwachting, van de aanwezigheid van God.”

Burgemeester Tjapko Poppens van Wijk bij Duurstede heeft gisteren een bezoek gebracht aan de ouders van de vader van Julian en Ruben. Volgens de burgemeester heeft de Wijkse gemeenschap veel begrip voor het verdriet van de familie van de vader. Dat merkt ook Onderstal. ,,Het is onze verantwoordelijkheid om ook met hen mee te leven. Dit hebben ze niet kunnen zien aankomen. Familie en vrienden kenden de kinderen goed. Zij moeten hier ook mee verder.”
* verschenen in het Friesch Dagblad en op de website Het Goede Leven op 23 mei 2013

dinsdag 2 april 2013

Op mijn tenen - derde Paasdag

Dit paasweekend zag ik op tv een portret van iemand met groot verdriet. Meer nog dan zijn woorden over rouw blijft me iets ondefinieerbaars bij.. Woorden zoekend voor wat ik zie: het is alsof hij zich zonder ophouden uitstrekt, als een veer onder spanning, op zijn tenen uitgestrekt. Naar.. naar wat? Naar een andere werkelijkheid, de plek waar hij degene die hij mist vermoedt? Naar een werkelijkheid waar het antwoord op het raadsel van het leven verborgen ligt? Naar de hemel.. ? Naar het licht.. van God?
Ik schreef hem: 'misschien is juist dat uitstrekken naar - vol verlangen - wel de meeste intense vorm van geloven.' De ervaring van dood en gemis maakt het verlangen wakker, de noodzaak om je uit te strekken naar méér dan hier is. 

Pasen is opstaan, de hand gereikt door de Opgestane. Sinds de Passion van vorige week donderdag zie ik daarbij de uitgestoken handen van een lichte gestalte voor me.
Kan ik de spanning van Pasen vasthouden: op mijn tenen blijven staan, gespannen uitzien en verlangen.. ?  

maandag 25 februari 2013

het boek Job

Ik heb geen vrede met de dood.. misschien raar voor een dominee, maar de dood maakt mij opstandig en soms bang. Ik heb overledenen gezien, gezeten naast mensen die wisten dat ze dood zouden gaan, en vaak gesproken met de achterblijvers. Dat hoort bij mijn werk..
Maar vrede heb ik er niet mee.
Dit weekend begon ik om 6 uur 's avonds in een boek, en had het 's nachts om half 2 uit. 'Het boek Job' gaat over de dood; over het verlies van een kind; over het spoorloos verdwijnen van een zoon. Het is het verhaal van Roek Lips die zijn zoon Job verloor aan de zee. Zijn lichaam werd nooit gevonden.
Ik las het boek achter elkaar uit en het troost me. Al weet ik niet of Roek Lips het zo bedoeld heeft, mij troost het..
Het beschrijft de dood van dichtbij, het verdriet onverhuld. Steeds weer tranen. Zitten en wachten en niet verder kunnen. En schrijven. Woorden zoeken voor iets onbeschrijflijk verdrietigs, woorden geven aan het verdriet, dat is wat Roek Lips doet. Want 'er zijn geen woorden voor' is niet goed genoeg, zegt hij.
Wat zit ik vaak zonder woorden bij iemand die dood gaat, of die door de dood beroofd is van iemand.
In dit boek volg ik ademloos hoe deze vader zich - zonder dat ik hoef te helpen - een weg graaft door het verdriet om de dood van zijn zoon. Woord voor woord zoekt hij een weg in het niemandsland.
Ik volg en voel dat het me hoop geeft dat hij die woorden deelt. Is de ergste dood misschien, die waar je helemaal in opgesloten raakt?
Als hij schrijft hoe hij Job's aanwezigheid voelt, en met hem praat, dan raakt me dat. Hoe kun je stellig zeggen dat er niets meer is na de dood..? Roek Lips kan het niet meer. En zijn voorzichtige vertrouwen haalt ineens scherpe randjes van mijn opstandigheid en angst.
En daar wil ik hem eigenlijk voor bedanken.
Hierbij :-)  dank je wel.

PS: over pastoraat
´Er zijn geen woorden voor..´ - kom ik daarmee weg, als pastor, als mede-mens? Of laat ik dan een ander met een ongenadige leegte achter?
Ja, ik kom er mee weg als ik geen woorden maar wel tijd heb. Niet als 'er zijn geen woorden voor' een bedekte manier is om te vluchten voor de de grootte van het verdriet; uit verlegenheid, onhandigheid, luiheid, machteloosheid, angst.. het kan allemaal.
Rouw vraagt om tijd. Roek Lips koos voor een zwarte 'rouwband'  om het boek voor zijn zoon. Want wij zijn de rituelen van de rouw vergeten. We rouwen te gehaast. Terwijl rouw een ' bumpy road' is met onverwachte bochten in de weg.
Dus is dit mijn pastorale ideaalplaatje: ik zit zonder woorden naast iemand die verdriet heeft. En ik blijf. Ik maak ruimte voor haar of zijn zoeken naar woorden, zonder in de rede te vallen, te troosten, te helpen. Tot het voorbij is..


woensdag 18 januari 2012

Is opa een sterretje aan de hemel?

Ik weet nog hoe het was toen ik voor het eerst aan het bed zat van een leeftijdgenoot die wist dat ze snel dood zou gaan. Ik zat daar en het was alsof ik met haar in een gat keek. Of misschien zag zij geen gat, maar zo voelde het wel voor mij. Het joeg mij plaatsvervangend angst aan, de onbekende naderende dood. En ik voelde me machteloos; ik kon alleen maar met haar meekijken en niet weglopen.  Zij had kleine kinderen in de leeftijd van die van mij. Dat maakte dat het dichtbij kwam. Maar later had ik het ook met een vijftiger die ongeneeslijk ziek was. Herkende ik hun angst, of was het vooral die van mij? Het beeld van de dood als een groot gat dat zich voor me opent is op de achtergrond gebleven.
Afgelopen dagen volgde ik een cursus voor predikanten over de voorstellingen die er bestaan van leven na de dood, en de christelijke positie daarin. Een cursus met als pakkende titel ‘Is opa een sterretje aan de hemel’.. Als je als dominee familie begeleidt bij een afscheid lijken Frans Bauer (’n trein naar niemandsland http://www.youtube.com/watch?v=_qJy4cOrPL0)  en Jan Smit (ik schrijf je naam in de sterren http://www.youtube.com/watch?v=624qjXlVVQ0) soms de belangrijkste leveranciers van beelden van leven na de dood. Daar sta je als theoloog werkeloos bij. Aan de andere kant van het spectrum is er de omgang met de dood zoals we die zien bij Connie Palmen (Logboek van een onbarmhartig jaar). Daarbij is van een verwijzing naar méér, boven deze werkelijkheid uit (of er uit opkomend) geen sprake. Het verdriet en gemis is alles wat er is.

Ik heb meer moeite met het eerste: dat een leven na dood zo probleemloos lijkt te zijn. Twijfel of oma in de hemel is, of opa wel een sterretje is lijkt afwezig. De overgang  naar een leven na de dood verloopt te gladjes. Terwijl in mijn beleving de dood een inbreuk is en blijft op het leven.
Is dat een kwestie van psychologie; mijn persoonlijke moeite om het leven los te moeten laten? 
Of zegt de theologie hier ook iets over?
Is het passend voor een gelovige om vol vertrouwen de hemel tegemoet te gaan, of is onwetendheid en afwezigheid van beelden passender?
foto: Jolinda van de Beukel
Er valt veel voor te zeggen – vindt de dominee in mij - dat de mens zijn plaats moet weten, of mag beseffen. Wij hopen op eeuwigheid, we zoeken God, maar weten doen we bijna niets. Ook niet over leven na de dood. De Bijbel biedt een diversiteit aan beelden, geen eenduidigheid. We kunnen doen alsof we het weten, maar daarmee reiken we ver boven onszelf uit. Als de trein van Frans Bauer te  soepeltjes naar de hemel tuft – je hoeft alleen maar in te stappen – dan mis ik het verdriet en het diepe gemis, en de vraag of een leven wel ‘af’ en goed geweest is. Eigenlijk wordt de grootheid van God en de menselijkheid van de mens beide onrecht gedaan. Willen we de vragen liever wegstrijken? Verklaarbaar in de ontkenningsfase van een rouwproces, maar toch.. Vergankelijkheid is deel van het leven. We zijn beperkt, falen, kunnen niet alles, en ergens houdt het op, maar liever schuiven we dat besef onder het tapijt. Sterven is deel van ons dagelijks leven maar we sluiten er de ogen voor tot we er niet meer onderuit kunnen. Bij de één duurt dat tot ouderdomsgebrek de vergankelijkheid onontkoombaar maakt. Een ander wordt al vroeg met ongeluk geconfronteerd en raakt de vragen nooit meer kwijt.

We willen liever onsterfelijk zijn. En als het ons lichamelijk niet lukt, dan toch tenminste onze ziel. Die zal toch wel voortbestaan…? Te mooie beelden voor het leven na de dood kunnen een poging zijn om de controle tot over de grenzen van ons bestaan op te rekken.
Toch zou
 ik ‘een trein naar niemandsland’ van Frans Bauer zo draaien in een afscheidsdienst. Want God laat zich zomaar op onverwachte plekken vinden. Alleen, zoeken we ook? Is er sprake van openheid voor spreken over wie God is, en wie de mens tegenover God, of in ieder geval om de vraag te stellen. Of draaien we het liedje en is daarmee de kous af?

Het doet mij verdriet als de mens met zijn/haar verdriet alleen blijft, ronddraaiend er in, eindeloos herinneringen delend, de ene spreker na de andere. Of als er snelle troost wordt geboden die geen recht doet aan de diepte van het verdriet. Er moet aan twee dingen recht worden gedaan.
Aan de lijfelijke ervaring van gescheiden worden en afgesneden zijn, de rauwheid van rouw. Daar lopen we liever voor weg, die ontkennen we, zelfs met religieuze middelen die ons voorhouden dat de geliefde voortleeft, ergens.
En er is een perspectief nodig dat de mens bevrijdt uit zichzelf, dat uitzicht geeft op wie de mens is in een breder verband. Ik leef niet voor mijzelf, ik leef niet alleen.
Ik begeleidde iemand die doodziek was. In de afbraak van zijn lichaam en zijn afhankelijkheid voelde hij zich waardeloos geworden. Niet meer de mens die hij was. Ik zat naast hem en kon niet anders dan de grote breuk ervaren die zijn ziekte veroorzaakt had. Als voorbode van het grote gat van de dood dat steeds dichterbij kwam.
Ik wist niet anders dan tegen hem te zeggen: ´er wordt van je gehouden.. dat maakt dat jouw leven de moeite waard is. Niet wat je presteert.`
Angst voor de dood, wat is dat? Als ik voor mezelf spreek, heeft het veel te maken met angst om afgesneden te raken, alleen en eenzaam te zijn. En ergens zit daar een link met het traditionele beeld van een oordeel aan het einde van het leven. Want wat maakt dat je alleen gelaten wordt – dat heeft te maken met afwijzing van wie je bent, met niet goed genoeg zijn. Gewogen en te licht bevonden…
Voor mij is dè boodschap van het geloof dat er een relatie is waar je in geborgen blijft. Ik ben niet alleen. Er is Iemand die mij kent, die nooit loslaat met wie Hij ooit begonnen is.
Mij kan de angst voor de dood als een groot niets overvallen. Diep doordrongen van de wetenschap dat mijn lichaam ophoudt. En dat wij weliswaar mooie beelden scheppen maar wat zegt dat over onze lijf & ziel? Wat helpt ons aan de grens? Een ziel? Maar ben ik toch niet gewoon mijn brein, dat ophoudt als het hart er geen zuurstof meer heen pompt?
Twee dingen helpen mij. Er wordt van mij gehouden. Dat houdt mij in het leven overeind, en God houdt daarmee niet op in de dood.
En er zijn de verhalen over Jezus die  mens werd, en daardoor dichtbij mijn dagelijks leven staat, met alles erop en eraan. Die zelfs dood ging. God is in de dood. Pijn en eenzaamheid deelt de Eeuwige. En zelfs dat is niet het laatste, er is het mysterie van de opstanding. Ik kan er met mijn hoofd niet bij, wat dat betekent. .

God raakt onze aarde, heiligt het dagelijkse, geeft er eeuwigheidswaarde aan. God dichtbij mensen, tot in de dood. Hebben we daarmee een onsterfelijke ziel, belanden we op een ster? Ik weet het niet.. Soms weet ik wel heel even van eeuwigheid, in een ogenblik van helderheid en nabijheid.  Vermoedens.. die het leven lichter maken. Zouden ze ook oplichten in de dood?

vrijdag 19 augustus 2011

bespannen met andere snaren


In de kerk hebben we oog voor verdriet. Soms, als ik op zondag als hoorder in de kerkbank zit, dan overvalt me wel eens lichte weerstand bij het gebed om ontferming. Waarom zoveel nadruk op de verdrietige kant van het leven, op ellende en onrecht? Maken we het niet te zwaar en vergeten we daarmee niet de zonnige, vrolijke, ondeugende dingen van het leven? Geluk en verdriet brengen we béide mee als we de kerk binnenkomen.
Maar de kerk – en dan bedoel ik niet alleen binnen de muren, maar overal waar mensen zich met God en met elkaar verbonden voelen, in het voetspoor van Jezus – maakt extra ruimte voor de pijn van mensen. En dat is goed, want wie pijnlijk geraakt is door verdriet dreigt zo snel weer dóór te moeten. Terwijl rouw een lang en niet te overzien proces is. Soms denk je dat je ‘er bent’ en dan opeens, overvalt het je weer alsof het nog maar net gebeurd is. Tijd is maar heel betrekkelijk: wat voor een ander alweer lang geleden is, dat is voor iemand die een heel dierbare mist aan de orde van de dag. Soms onverwacht, opeens.
We hebben zo snel een oordeel.. we vinden dat iemand wel weer erg snel aan het werk is, of helemaal niet verdrietig lijkt, omdat zij of hij leuke dingen doet.. Of we vinden dat iemand in het verdriet blijft hangen, terwijl het leven toch doorgaat.. Maar er is niet één route om verdriet te verwerken. Rouw is als een bochtige weg die niet rechtdoor gaat, maar op en neer. En er is verdriet dat je nooit ‘verwerken’ kunt. De pijn blijft altijd deel van je. Het gemis hoort bij je.
Voor een ander is dat moeilijk te verdragen; je wilt degene met verdriet liever ‘helpen’ dan machteloos toezien. Toch zit er niets anders op dan machteloos zijn, maar wel blijven. Niet weglopen voor wat niet opgelost kan worden, niet goed gemaakt, niet gerelativeerd. Blijven bij wie verdriet heeft.
Maar er zijn soorten van verdriet,
die iets veranderen aan het lied,
Men wordt bespannen met andere snaren
en wie het niet ervoer, die weet het niet. (Vasalis)
Kunnen we dan niets voor elkaar betekenen, elkaar niet troosten? ‘Je moet het eerst zelf meegemaakt hebben’ hoor je mensen vaak zeggen. Moet je het eerst hetzelfde meegemaakt hebben om een ander te kunnen aanvoelen? Ik denk dat ‘Je moet het eerst zelf meegemaakt hebben’  een manier is om te zeggen: wie verdriet gevoeld heeft weet, dat je een ander alleen kunt helpen door niet te willen helpen. Elk verdriet is uniek en onvergelijkbaar. Wie dat wil horen, wie het uit kan houden met de diepte van het verdriet van een ander, dat zich niet oplossen of vergelijken laat, die kan iets betekenen. Die is er voor een ander.

maandag 15 augustus 2011

tranen

Bij het herdenken van Mark van Dam, op openbare basisschool de Toermalijn


Ik huil een potje
ik huil een potje
ik huil een potje bij elkaar
Het komt zo uit mijn ogen
je mag ze nu weer drogen
want ik ben met huilen klaar.

Ik heb een traan voor de dag
en een traan voor de nacht
een traan voor als ik verdrietig ben
en één waardoorheen je lacht,
een traan voor m’n au
en voor ‘waar blijf je nou’
een traan voor ‘ik wil dat niet’
en ook een traan die niemand ziet.  Connie Vollenhoven



Kennen jullie het verhaal van de regenboog.. dat er aan het eind iets staat..
als je de boog volgt wat vind je dan misschien..?
Ja, ze zeggen: een pot met goud.
Maar ik denk dat er nog een potje staat – een klein potje, een tranenpotje, met tranen die eerder van zilver lijken.
Een potje waar de tranen die je huilt als je verdrietig bent, of boos, of in de war, in vallen. Ze worden zo door de regenboog meegenomen en opgevangen en bewaard.
Want die regenboog, dat zijn eigenlijk allemaal druppeltjes water, druppeltjes water waar de zon door schijnt. Een boog van tranen.. regen-tranen en zonnestralen tegelijk. Want als het regent en tegelijk de zon schijnt, dan verschijnen die mooie kleuren aan de hemel.
Elke traan omdat je iemand mist die heel bijzonder was, die traan is ook heel bijzonder – als de zon erop schijnt zie je alle kleuren van de regenboog.
Elke traan is kostbaar.. en in elke traan zit ook een stukje zon.. daarom is er dat tranenpotje aan het einde van de regenboog.

Wij sturen straks ballonnen naar de hemel, in de kleuren van de regenboog..
en denken aan Mark die niet meer bij ons is.
Misschien is hij daar wel, dichtbij de zon, en de sterren
en waait de wind onze ballonnen en onze gedachten naar hem toe..
We hopen zo dat hij daar niet alleen is;
dat hij mag spelen in het licht, bouwen en skelteren,
dat hij rusten mag, gewiegd door de wolken.
Mark is gegaan, en wij hopen dat hij gekomen is op een plek waar het mooi is.

‘Je moet wel gaan om er te komen’.. hij zei het zelf.