Posts tonen met het label artikel. Alle posts tonen
Posts tonen met het label artikel. Alle posts tonen

dinsdag 14 juni 2016

Kerk voor wie geen kerk wil? Over de worsteling om ‘wij’ te zeggen…

Dit artikel verscheen in 'Voorbij de sprakeloosheid' , een tijdschrift dat verscheen ter gelegenheid van de afsluiting van de opleiding Missionaire Specialisatie, met bijdragen van alle deelnemers aan de opleiding. 

Pioniersplekken en gemeenschapsvorming

Gesteund en gestimuleerd door de Protestantse Kerk is een netwerk van pioniersplekken aan het ontstaan: nieuwe plekken van kerk-zijn voor wie bij de oude geen aansluiting vindt. 
Er is ook een visie geformuleerd met betrekking tot pioniersplekken binnen Missionair Werk; onderdeel daarvan is ‘gemeenschapsvorming’.
In een denktank van de pioniersplek waar ik voor werk (ZIN in Wijk bij Duurstede) heeft het begrip gemeenschapsvorming - als doel op zich -  weerstand opgeroepen. Er is goed gesprek mogelijk over de waarde van ontmoeting en verbinding, maar ondertussen blijft gemeenschapsvorming een norm die verzet oproept. Ze horen er ‘kerk’ in, met alles waar ze juist afstand van willen nemen. Ze zien muren opdoemen en een groep die grenzen trekt met behulp van dogma’s die ze niet meer begrijpen. Terwijl ze openheid zoeken, vrijheid en radicaal respect voor ieders visie. Dat is waarin ze nieuwe wegen willen inslaan. Autonomie lijkt voor hen belangrijker dan het behoren tot een gemeenschap. En – paradoxaal – vinden ze elkaar daarin.
Pionieren begint bij het serieus nemen van en luisteren naar de context om te ontdekken waar mensen zijn en wat ze hopen en verlangen en wat niet. Het betekent Gods aanwezigheid daar ontdekken. Maar wat als velen die de kerk verlaten hebben (of er helemaal buiten zijn opgegroeid) het erg benauwd krijgen van een gemeenschap die iets met kerk te maken heeft? Wat als onze cultuur vraagt om meer vrijheid en een losser verband? Kan dat überhaupt zonder Jezus zelf te verraden? Mag een los-vast verband, een netwerk, nog ‘kerk’ heten? En is het levensvatbaar op de lange duur, want wie zorgt ervoor dat het niet vervluchtigt en verdwijnt?

De ander

De menswording van Christus laat zien dat van-Jezus-Christus-zijn nooit kan zonder de ander. Geroepen zijn door Hem en tot kerk-zijn betekent je iets gelegen laten liggen aan de ander. Want zo laat God zich kennen: door de ander, in een mens, als de ander. Juist de ander die mij vreemd is kan mij iets van God laten zien. Christus zoekt mij op in de vreemdeling, in degene die me tegenspreekt, die me weghaalt uit eigen gelijk en comfortzone. Geloven houdt in dat je naar de ander wordt toegewend. De kerk als leergemeenschap helpt het individu om niet in eigenwijsheid en oppervlakkigheid te blijven steken.[1]
En bovendien: God is te groot en heeft teveel kanten voor het geloof van de eenling.
Als ik voor mezelf spreek: ik kan het niet, alleen geloven. Mijn geloof houdt het niet zonder geloofsgemeenschap, dan vervluchtigt het. Zo geseculariseerd ben ik wel. Maar het is voor mensen van nu niet gemakkelijk om zich te verbinden aan een groep en een overtuiging.

‘Wij’ van de kerk

Er is rond het begrip kerk een worsteling om ‘wij’ te zeggen. De kerk van de eeuwen heeft grote kracht als plek waar iets wezenlijks levend wordt gehouden. Het is een plek van ontmoeting met de Eeuwige, een levende gemeenschap rond het heilige. Maar bestaat het instituut niet teveel voor wie binnen zijn en erbij horen, met daarbij het overeind houden van vertrouwde gewoontes? Hoeveel van die tradities is van God? Gaat het over het leven, is het relevant?  Hebben we het over eindigheid, falen, geluk, over keuzes en het lijden, over existentiële vragen?
Er zijn er steeds meer die zich geen deel van deze kerk voelen. Zij zijn ‘buitenstaanders’, niet omdat ze buiten de kaartenbak vallen maar omdat ze zichzelf zo definiëren: als niet-van-de-kerk.

Autonomie

Er is méér problematisch aan kerk. Als je gaat pionieren, dan komt op een gegeven moment de vraag: is kerk als gemeenschap wel waar zoekers op zitten te wachten? Onze samenleving heeft niet alleen moeite met instituten, maar ook met gemeenschap. Er is moeite om ‘wij’ te zeggen. Velen willen ook geen deel zijn van de groep. Moynagh schrijft in zijn ‘Bijbel’ voor pioniers dat mensen wel geïnteresseerd zijn in spiritualiteit, maar als individu en niet als groep.[2] Mensen moeten gemeenschap leren, is zijn conclusie –  dat kost tijd.
Er is meer dan moeite met het instituut; er is moeite met gezag en een grote behoefte aan autonomie. Er is moeite om te kiezen voor iets groter dan jij zelf, om te kiezen überhaupt. Wij leven een gefragmentariseerd leven, waardoor je uit zoveel ‘stukjes’ bestaat dat er niet één verhaal te vertellen is. Hoe kun je dan kiezen voor één verhaal en andere kansen laten liggen? Mensen willen graag in vrijheid hun eigen weg kiezen.[3]

Ik en wij zeggen

Als onderdeel van de opleiding bezochten we op een maandag de PopUp Church van Rikko Voorberg en VanBoven in de Jeruzalemkerk, waar Bas van der Graaf ons ontving. De PopUp Church vindt plaats rond een gedekte tafel in een wijkgebouw. VanBoven is een plek voor zoekers binnen het kerkgebouw; een galerij van de kerk werd ervoor ingericht en omgebouwd.
Opvallend verschil in hun verhalen was dat, waar Rikko in de ik-vorm sprak, Bas de wij-vorm gebruikte.

Rikko Voorberg is voorganger van een kerk voor mensen die geen kerk willen. Ze zijn buitenkerkelijk, omdat ze zichzelf als niet-van-de-kerk beschouwen. Ze hebben moeite met het instituut. Maar meer dan dat; het zijn mensen die gefascineerd zijn door wat hij als christen te vertellen heeft, maar moeite hebben met overgave. Ze leveren zich niet gemakkelijk over aan een bepaalde levensbeschouwing.
Jezus riep mensen om hem te volgen. Dat was niet vrijblijvend. Het was een oproep tot omkeer en overgave. Zijn leerlingen werden deel van een groep, een ‘wij’ omdat ze zich aan zijn boodschap en zijn persoon verbonden. Het was een rondtrekkend ‘wij’, steeds in beweging. Toen hij na zijn dood en opstanding er (alleen) in de Geest nog was konden zich groepen in die Geest vormen op allerlei plekken. Het was niet meer gebonden aan zijn fysieke persoon. De groepen, die gemeente genoemd werden, kregen een eigen dynamiek. Een ‘wij gevoel’.

Buiten het ‘wij’

Pionieren is buiten dat ‘wij’ gaan staan, tussen degenen die zich daar geen deel van voelen. Pionieren kan betekenen dat je het ‘wij’ van de verbondenheid met Christus als enkeling belichaamt. Buiten de geloofsgemeenschap. Tom de Haan, stadsdominee in Haarlem, doet het onder protest, dat belichamen. Het is immers de taak van ieder die van-de-kerk is om dat te doen.[4]
Pionierende enkelingen als Rikko Voorberg en Tom de Haan kunnen dit alleen door ‘ik’ te zeggen, door zich uit te spreken. Pionieren vraagt om spreken van God en/of handelen vanuit de aanwezigheid van de Eeuwige waar dat niet vanzelfsprekend is, teruggeworpen op jezelf, op God en op de traditie – de schouders van de gelovigen waar je op staat.

Een nieuw ‘wij’, een ontmoetingsplek

Tegelijk vraagt deze geseculariseerde context om een nieuw ‘wij’, om spreken vanuit verbondenheid. Verbondenheid met degenen die God ook zoeken en opmerken, misschien zelfs vieren, in de dagelijkse werkelijkheid. Ook al zijn ze niet van-de-kerk of niet van-Christus.  Zijn ze zoals katholiek theoloog Borgman beschrijft (citerend uit de encycliek Lumen Fidei) zonder het te beseffen onderweg naar het geloof?[5] Laten we hen in ieder geval niet te snel tot het ‘wij’ en ‘het’ geloof van een geloofsgemeenschap rekenen als ze dat zelf niet doen. Het gedeelde verlangen en pogen dat Borgman noemt betekent wel verbinding.
Ontstaat er dan gemeenschap? Er ontstaat ontmoeting waarbinnen deelnemers elkaar uitnodigen om zich uit te spreken over hun bronnen en ‘ik geloof’ te zeggen. Dat is een nieuw-wij, waarin de aanwezigheid van God niet onbesproken en onopgemerkt blijft maar gezocht wordt. Dat is van grote waarde in onze samenleving waar zoveel sprakeloosheid is rondom geloven. Er ontstaat een ontmoetingsplek.

Jezus is gastheer

ZIN en andere pioniersplekken zijn geworteld in het evangelie, in het geloof in Jezus’ unieke betekenis voor mensen, voor hun leven. Dat houdt geen oordeel in over andere overtuigingen. Er wordt verteld over deze ene overtuiging en geluisterd naar andere, vanuit het besef dat er Waarheid is en dat die in Jezus te vinden is, maar niemand de waarheid in bezit heeft.[6] Deelnemers aan de ontmoetingsplek verhouden zich op verschillende manieren, op meer en minder afstand, tot Jezus.[7] Gastheer in dit alles blijft Jezus zelf, ook al wordt hij niet door iedereen als ‘Heer’ gezien. Hij was hij in zijn leven juist voluit in gesprek met wie zoekende of anders denkend was; rondom hem ontstond er zo gemeenschap.

Leergemeenschap

De ontmoetingsplek vormt een nieuw-wij van mensen die willen leren van elkaar. Afgebakend geloof is niet wat deze gemeenschap bepaalt, maar wel het delen van geraaktheid en het oefenen van nieuwe praktijken. Kenmerkend voor deze praktijken is dat het gaat om je openstellen voor de ander en de Ander – in stilte, in gesprek, in luisteren, lezen, delen en vieren. In een individualistische cultuur waarin het ‘ ik ‘ het centrum dreigt te worden wordt geoefend in bewustzijn van méér dan jezelf en grenzen aan autonomie. Een venster dat opengaat naar eeuwigheid.. En zo komt er toch weer gemeenschap in beeld. Niet als formeel doel, maar omdat het evangelie ons leert om anderen – juist hen die er buiten vallen – in te sluiten, omdat we door Jezus’ boodschap toegekeerd worden naar de ander. Zo is de pioniersplek in gesprek met de context: erbij aansluitend en kritisch tegelijk. 
Jos Douma schrijft: het gaat bij praktijken om dingen die christenen samen doen om te groeien in het goede leven.[8] Ik zou verder willen gaan: praktijken verbinden ook christenen en niet-christenen met elkaar binnen een pioniersplek. Het is eerder een leer- en oefengemeenschap dan een geloofsgemeenschap.

Niet los van de kerk

Mensen komen soms maar een keer, of een paar. En vaak zoeken ze ook op andere plekken inspiratie. Is dit kerk voor wie geen kerk wil, deze leergemeenschap van mensen die in beweging zijn? Sommigen noemen zich gelovig, anderen blijven liever ver van zo’n zelf-definitie of herkennen zich niet in wat ‘kerk’ heet. Wie bepaalt wie er van hen ‘christen’ mag heten?
De grenzen tussen kerk en ontmoetingsplek zijn vloeiend. Ook de kerk is een open netwerk waar geen voorwaarden worden gesteld bij binnenkomst, en waar allerlei vormen van commitment bestaan. Daar aarzelen mensen ook om zich een volgeling van Jezus te noemen, omdat ze beseffen tekort te schieten. God die zich laat zien in Christus is het centrum en daarom omheen zijn allerlei posities mogelijk. Toch maken het lidmaatschap, instituut, de sacramenten en het groepsproces dat er grenzen zijn zoekers uitsluiten.
De ontmoetingsplek geeft meer ruimte aan wie worstelt met het ‘wij’ van de kerk. Grenzen spelen er niet zo’n rol. Tegelijk kan de nieuwe plek niet bestaan zonder de ‘oude’. Als referentie-kader dat verondersteld wordt, als institutionele en financiële ondersteuning, als plek waar gebeden wordt voor het nieuwe dat er ontstaat. [9]
Naast de kerk waar mensen ‘wij’ zeggen zijn er plekken met een ‘nieuw wij’ nodig. Jezus zelf is de Heer van de kerk maar hij is ook gastheer van de ‘nieuw wij’ ontmoetingsplek.

Lees het hele magazine... 





[1] J.H.F Schaeffer, Hoeveel ‘kerk’ heb je nodig om te geloven? In: Kontekstueel mei 2011, nr 5 jaargang 25
[2] Michael Moynagh, Church for Every Context. An Introduction to Theology and Practice. London 2012 p. 383
[3] Marianne Moyaert,  Wat nieuwe spirituelen inspireert en drijft is een ervaring van overvloed. Lezing tijdens de studiemiddag Interreligieuze dialoog en nieuwe spirituelen, 16-9-2015 Radboud Universiteit Nijmegen.
[4] Tom de Haan, De dominee kan het niet alleen. Een blog van 12 oktober 2015 op de website NieuwWij
[5] Erik Borgman, Waar blijft de kerk. Gedachten over opbouw in tijden van afbraak. Baarn 2015 p.69
[6] Zie: Sake Stoppels, Waarom eigenlijk? In: Gert Noort e.a. Als een kerk opnieuw begint. Handboek missionaire gemeenschapsvorming. Zoetermeer 2008 p. 232
[7] Zie voor het onderscheid tussen bounded en centered sets als definitie van christen-zijn:
Paul G. Hiebert, Conversion, Culture and Cognitive Categories. In: Gospel in Context I (4) 1978, pp. 24 - 29
[8] Jos Douma, De kerk: instituut en/of gemeenschap? Een blog van 12 oktober 2015 op zijn website Léven in de kerk
[9] Zie: Kees de Groot, Fluïde vormen van kerk-zijn. In: Rein Brouwer e.a. Levend lichaam. Dynamiek van christelijke geloofsgemeenschappen in Nederland. Utrecht 2007, pp 240 - 280

maandag 13 juni 2016

Missionair toen en nu - een artikel over Bonifatius

In het Friesch Dagblad verscheen een ingekorte versie van het artikel dat ik schreef voor het boek "Bonifatius in Dorestad. De evangeliebrenger van de de Lage Landen - 716" onder redactie van Luit van der Tuuk (Utrecht 2016)
De volledige tekst van het artikel is hieronder te vinden.

boom in de tuin van de Cothense pastorie

Op de grens van het heidendom

Voor de protestantse pastorie van Cothen die ik als predikant bewonen mag, staat een machtige kastanjeboom. Cothen is een dorp dat deel uitmaakt van de gemeente Wijk bij Duurstede. Het oude Dorestad zou zich zomaar uitgestrekt kunnen hebben tot hier aan de Kromme Rijn.
De pastorie is 170 jaar oud, maar de boom lijkt ouder. Hij is in ieder geval veel ouder dan ik. En als ik onder het bladerdak sta, of als ik omhoogkijk naar de kale takken alsof ik het gewelf van een kathedraal in kijk, dan voel ik me klein maar beschermd.
Twee jaar geleden stond er nog zo’n kastanjeboom voor de deur, maar die moest vanwege de kastanjeziekte worden gekapt. Ik heb er een dag met pijn in het hart naar staan kijken toen hij stukje voor stukje afgezaagd werd. Ik miste de boom nog wekenlang. Er zit leven in een boom, en deze voor mijn deur heeft door de hoge leeftijd iets van eeuwigheid om zich heen.
De boom des levens die hemel en aarde verbindt, is te vinden in de Bijbel, in de mystiek, in de wijsheid van alle tijden en plaatsen.1 Vertelt Jezus niet een verhaal over een mosterdzaadje dat uitgroeit tot een boom waarin de vogels kunnen schuilen? Jezus Zelf gebruikt de boom om te vertellen over het koninkrijk van God dat met zijn komst dichtbij is gekomen (Marcus 4:30-32). Bonifatius staat behalve om zijn dood door de handen van de Friezen bekend om het omhakken van een heilige boom. Een eik die de geschiedenis is ingegaan als de Donareik.
In de beschrijvingen van zijn leven – ‘hagiografieën’ waarin zijn heiligheid benadrukt wordt – wordt verteld hoe Bonifatius ten strijde trok tegen symbolen en heiligdommen van het heidendom van zijn tijd. In die beschrijvingen lijkt het duidelijk wat ‘heidens’ is: het is het tegenovergestelde van waar het christendom voor staat. Duidelijk is ook dat het heidendom bestreden moet worden.
De protestantse theoloog Henk Vreekamp schreef een boek waarin hij dwalend over de Veluwe van zijn jeugd de heiden in zichzelf tegenkomt. De heiden ontmoet het heilige in de gang van de seizoenen en in de vitaliteit van de natuur. ‘Ik ben heiden’, schrijft Vreekamp aan het einde van zijn boek. Die heiden wordt door Christus aangesproken, maar ‘blijft een heiden in het diepst van zijn gedachten’.2
In een interview met het Friesch Dagblad naar aanleiding van zijn boek Zwijgen bij volle maan zegt Vreekamp: ‘De heiden is letterlijk “mens van de heide”. Hij leeft dicht bij de natuur, de jaargetijden en zonsop- en ondergang bepalen zijn ritme. Ik kom zelf uit een boerengezin en heb het van nabij meegemaakt. Ik ben als heiden geboren, het zit in mijn vlees en bloed, in mijn genen. Ik ben gedoopt, maar dat maakt mij niet los van mijn heidense wortels, mijn geboortegrond. Je kunt zeggen dat dit neigt naar bloed en bodem. Klopt, maar loop daar niet voor weg. Juist door het te verdringen gebeuren er ongelukken.’3 Ik koester de boom voor mijn deur. Is dat de heiden in mij? Of kan een boom voor een christen ook een vindplaats van heiligheid zijn?
afbeelding om Bonifatius in Wijk bij Duurstede te gedenken, op 28 mei 2016 onthuld 
Dorestad lag op de grens van christelijk en heidens gebied. De christelijke Frankische cultuur en de heidense Noordzeecultuur van Friezen, Denen en Saksen ontmoetten elkaar in deze handelsstad om zaken te doen. Daar waar Rijn en Lek bij elkaar kwamen, en waar de Kromme Rijn de belangrijkste handelsverbinding met het noordelijker gebied van de Friezen vormde, kwamen christenen en heidenen elkaar tegen. Dorestad dankte zijn bloei aan de ontmoeting van, de uitwisseling tussen culturen. Het is waarschijnlijk dat in Dorestad geen grootse christelijke heiligdommen werden opgericht; om de handel niet in de weg te zitten bleef de stad zo neutraal mogelijk.

In het Veluwse gebied ten noorden van Dorestad drong het christendom waarschijnlijk in de loop van de achtste eeuw door, nadat Bonifatius in 716 aankwam in de Lage Landen. Bonifatius speelde in de kerstening geen hoofdrol. Het was Lebuinus, ook een geestelijke die op de Britse eilanden geboren en opgeleid was, die de Saksen op de Veluwe opzocht met het evangelie.
Bonifatius trok naar het oosten, waar hij bij Fritzlar de Donareik zou omhakken. Maar behalve dat was Bonifatius eerder bouwer van kerkstructuren dan degene die het contact met de heidenen aanging. Met de kennis van nu kun je zeggen dat missionaire activiteit andere gaven en competenties vraagt dan die nodig zijn voor het organiseren van een instituut. Bonifatius was geen ‘grensganger’ maar een bevlogen hervormer van de jonge christelijke kerk, die hij wilde zuiveren van kwalijke praktijken.
In de geschiedenis van het overdragen van het christendom is steeds gezocht naar manieren om de kern van de boodschap te communiceren met mensen die daar nog niet mee te maken hadden gehad. Daarvoor was een vertaalslag nodig, dusdanig dat christelijke verhalen en begrippen in een andere cultuur konden landen en wortel schieten in de levens van mensen.
Uit ongeveer 835, een eeuw na de komst van Bonifatius in de Lage landen (de bloeitijd van Dorestad), kennen we de Heliand: een episch gedicht over het leven van Jezus Christus, geschreven in het Oudsaksisch. Er zijn vermoedens dat de Heliand ontstaan is in de omgeving van Fulda, waar Bonifatius een klooster liet stichten. In het gedicht wordt een brug geslagen tussen het verhaal van Jezus Christus en de cultuur van de Germanen. Daarin worden opvallende aanpassingen in het verhaal aangebracht, om aan te sluiten bij de belevingswereld van de heidense hoorders. Christus krijgt de trekken van een Germaanse held, een adellijke heer te paard. In het kerstverhaal wordt Hij gewikkeld in doeken met edelstenen, en ook in de rest van zijn leven wordt Hij voorgesteld als heerser en overwinnaar; zo vaart Hij in een hoog Vikingschip over het meer van Galilea.
We zien in Bonifatius’ leven dat hij vooral ingangen zoekt in de steden, aan hoven en bij koningen. Dat lijkt aan te sluiten bij de inhoud van de Heliand waarin het evangelie begrijpelijk gemaakt wordt voor een ‘doelgroep’ die dit stedelijke leven leefde. De mensen die buiten de steden te midden van de seizoenen leefden, herkenden zich waarschijnlijk minder in de taal en de beelden van de Heliand. Je kunt hen de ‘echte’ heidenen noemen: ‘mensen van de heide’.

In de eenentwintigste eeuw is Wijk bij Duurstede een geseculariseerd stadje. Op de oever van de Kromme Rijn ging de meerderheid van de bevolking niet mee met de reformatie en overheerst het katholicisme. Maar inmiddels hebben de meeste mensen met katholieke en protestantse wortels geen warme band meer met het instituut.
Vanuit het missionaire initiatief ZIN in Wijk bij Duurstede ben ik een ochtend in de maand in het café aan de Markt ‘de Engel’, beschikbaar voor wie maar in gesprek wil. Daar en op andere momenten kom ik ‘nieuwe spirituelen’ tegen. Moyaert (hoogleraar en onderzoeker op het gebied van interreligieuze dialoog) beschrijft hoe in de spiritualisering van religie de autoriteit van de traditie en het gezag van de geloofsgemeenschap afneemt.4 Geloof is resultaat van een persoonlijke keuze veeleer dan van een voorgegeven traditie. Nieuwe spirituelen zijn zoekers die zelf op zoek gaan naar betekenis en zin. Daarbij putten ze uit allerlei religieuze tradities. Zo kunnen in een gesprek bij de koffie Jezus, reïncarnatie en genade moeiteloos met elkaar verbonden worden door mijn gesprekspartners.
Nieuwe spirituelen putten uit oosterse religies maar ook uit wat Bonifatius ‘heidendom’ genoemd zou hebben. Nieuwe spiritualiteit omvat vele stromingen: nieuw heidendom (neopaganisme), esoterische bewegingen zoals theosofie en gnostiek, nieuwe volksreligie zoals spiritisme en waarzeggerij, en allerhande alternatieve geneeswijzen. Frans Jespers, godsdienstwetenschapper aan de Radboud Universiteit in Nijmegen en samensteller van de bundel ‘Nieuwe religiositeit in Nederland’ in een artikel in Trouw: ‘Het wereldbeeld is holistisch. De mens is deel van een groter geheel en heeft als nietig wezen rekening te houden met geesten, goden en natuurkrachten.’ (Trouw, de Verdieping, 11 december 2010.)
Het Sociaal Cultureel Planbureau bericht: ‘Spirituele belangstelling is geen surrogaat voor godsdienstig geloof en kerkelijke deelname. Sommige aspecten blijken voor veel kerkleden goed te combineren met traditionele christelijke godsdienstigheid, bij andere aspecten kan gesproken worden van een nieuwerwetse belevingswereld, waarin andere dingen worden nagestreefd dan in het oude geloof, van een modernisering, een bij de tijd brengen van het geloof.’ (Rapport Geloven binnen en buiten verband, godsdienstige ontwikkelingen in Nederland, mei 2014, 115.) Nieuwe spiritualiteit die verwantschap heeft met het ‘heidendom’ is wijdverbreid; kerkverlaters en randkerkelijken combineren het met een christelijke achtergrond – die van katholieken huize nog gemakkelijker dan de protestanten.
In de Protestantse Kerk in Nederland is ervoor gekozen veel energie te steken in missionaire initiatieven. Pioniersplekken worden plekken als ZIN in Wijk bij Duurstede genoemd: experimentele geloofsgemeenschappen voor mensen die niet of niet meer in de kerk komen. Het is een spannend proces, want de vraag is wat er precies op deze missionaire plekken groeien gaat. Worden het geloofsgemeenschappen die verwantschap vertonen met de kerk? Een grote vraag is wat mij betreft: hoe groeit een geloofsgemeenschap in een tijd waarin velen zoekers zijn? Zinvol religieus leven is voor hen verbonden met een veelheid aan perspectieven en met het leren van verschillende tradities, terwijl exclusief commitment moeilijk wordt gevonden. Is dit een voedingsbodem voor een georganiseerde vorm van (christelijke) religiositeit?
Inspiratiebron voor het mogelijk maken van pioniersplekken is de beweging Fresh Expressions in de Anglicaanse kerk. Net als in de tijd van Bonifatius komt er nu missionaire inspiratie van de Britse eilanden. In het proces van pionieren wordt heel veel tijd ingeruimd voor het luisteren naar de context. Missionarissen en zendelingen in de niet-westerse wereld begrepen al dat ze eerst de taal en cultuur moesten leren voordat ze iets zouden kunnen overbrengen van hun geloof.
Kleasterkuier (wandeling) van Nijkleaster, rond Jorwerd
Een van de pioniersplekken is Nijkleaster, een protestants klooster in Jorwerd. U weet wel, dat Friese dorp dat een hoofdrol speelt in het boek van Geert Mak Hoe God verdween uit Jorwerd. Het ligt zo’n 40 kilometer verwijderd van Dokkum en de Bonifatiuskapel waar pelgrims Bonifatius kunnen gedenken.
Initiatiefnemer Hinne Wagenaar liet zich inspireren door een klooster op het eiland Iona dat staat in de Keltisch-christelijke traditie. Opvallend in die traditie is de grote verbondenheid met de natuur. De Keltische missionarissen die in de tijd voor Bonifatius naar het Europese vasteland trokken, namen die houding mee, bovendien stonden ze positiever tegenover de inheemse cultuur dan bijvoorbeeld Bonifatius.
Nijkleaster kent een wekelijkse ‘Kleasterkuier’ – een wandeling, voorafgegaan door een viering in het kerkje en afgesloten met een maaltijd. Het beleven van de natuur op het Friese vlakke land en het spreken over het evangelie gaan hier hand in hand. De verwantschap met het Keltische christendom is hier goed voelbaar.
Nijkleaster werd in oktober 2012 geopend, maar in 2009 droomde Wagenaar in een preek over het realiseren van deze plek:

Een heilige plaats,
als een hoge berg om alleen te kunnen zijn, stil voor God,
als een rustplaats in een rustloze wereld,
als een oase van gemeenschap te midden van de eenzaamheid,
als een plek van heling en genezing in een ziekmakende maatschappij,
als een plek van spiritualiteit te midden van cynisme en moedeloosheid,
als een plek om Fries, vroom en vrij te zijn,
als een plek om kracht op te doen voor onderweg!5

Nu het christendom in de westerse wereld op zijn retour is, wordt ook daar contextualisatie een steeds vaker gebruikt begrip. Heb je geen oog en oor voor de context, de taal en de ervaringswereld van mensen, dan heb je ook geen boodschap aan hen. Bovendien heeft een groeiend deel van de westerse bevolking geen weet meer van christelijke verhalen en symbolen.
Je zou ook kunnen zeggen: we staan opnieuw op de grens van het heidendom. En dat vraagt om heel goed luisteren voordat je iets zeggen kunt. Op wat voor manier is christelijk geloven relevant en actueel voor mensen van onze tijd? Hoe vertalen we met elkaar, gelovigen en niet-gelovigen, kerkelijk actieven en pioniers, leken en theologen, plattelanders en stadsbewoners, nieuwe spirituelen en andersgelovenden het evangelie? Om wat voor ‘heilige plekken’ vraagt onze tijd?
Missionair zijn vraagt om dialoog op gelijke hoogte. De ander is daarbij niet degene bij wie je een boodschap aflevert. De ander is een echte gesprekspartner en een spiegel waarin je je eigen religieuze traditie bekijkt. Wat is er wezenlijk? Wat is er contextbepaald? Wat kun je communiceren en wat is onvertaalbaar? Wat valt weg als je er langer naar gaat kijken, met nieuwe ogen? Op de grens ontdek je zo nieuwe betekenis.
Deze tijd vraagt om hervormers als Bonifatius, maar dan heel anders. Deze tijd vraagt om hervormers die het instituut kerk op een andere manier durven benaderen en organiseren. Die opgebouwde vormen durven loslaten en nieuwe durven zoeken, passend bij deze tijd.
In Cothen, in het kerkje vlak naast de grote kastanjeboom, wordt met regelmaat gemediteerd. De oude kloostertraditie van de lectio divina (een lezing van de Bijbel waarbij stilte een grote rol speelt) wordt op een nieuwe manier opgepakt in het dorpskerkje. Zo worden nieuwe wegen gezocht.

Noten
1. Hendrik Vreekamp, Zwijgen bij volle maan. Veluwse verkenning van Edda, Evangelie en Tora (Zoetermeer 2003), 22.
2. Hendrik Vreekamp, Zwijgen bij volle maan. Veluwse verkenning van Edda, Evangelie en Tora (Zoetermeer 2003), 302.
3. ‘Kerk moet terug naar heidense wortels’, interview met Henk Vreekamp in het Friesch Dagblad, zaterdag 27 september 2003.
4. Marianne Moyaert, ‘Wat nieuwe spirituelen inspireert en drijft is een ervaring van overvloed’, lezing aan de Radboud Universiteit, zie: http://www.nieuwwij.nl/verdieping/moyaert/
5. Hinne Wagenaar, zie: http://hinnewagenaar.frl/nijkleaster/kracht-voor-onderweg/

Geraadpleegde literatuur
Vreekamp, H., Zwijgen bij volle maan. Veluwse verkenning van Edda, Evangelie en Tora (Zoetermeer 2003)



Over de auteur:
Rebecca Onderstal (1969) is predikant binnen de Protestantse Kerk in Nederland en werkt als dorpsdominee in Cothen (een van de kernen van Wijk bij Duurstede). Als missionair predikant is ze tevens initiator van ZIN in Wijk bij Duurstede, een plek waar geëxperimenteerd wordt met nieuwe vormen van kerk-zijn.


vrijdag 11 september 2015

Echtscheiding

Artikel verschenen in het themanummer "Eénoudergezinnen" van het Ouderlingenblad, 
juli/augustus 2015, nr 1061, jaargang 92

Door dit artikel heen zijn in kadertjes citaten opgenomen. Het betreffen uitspaken van mensen die via Facebook reageerden op de vraag: hoe speelde bij jouw echtscheiding geloven en de kerk een rol? 

Een derde van alle huwelijken eindigt in een breuk. Als je partners meetelt die niet voor de wet getrouwd zijn, ligt het percentage wellicht nog hoger. Tweede huwelijken lopen twee keer zo vaak op de klippen.
Is het percentage in kerkelijke kring net zo hoog? Zeker is, dat ook veel stellen die in de kerk een zegen kregen over hun huwelijk weer uit elkaar gaan. Is er voldoende oog voor alles wat er speelt rondom een scheiding?

Persoonlijk

Zeven jaar geleden ging ik scheiden. Mensen die niet zo kerkelijk betrokken zijn vragen mij vaak: maar mag dat wel, als predikant? De vraag of ik wel predikant zou kunnen blijven in mijn kleine dorpsgemeente stelde ik mezelf ook in de jaren die vooraf gingen aan de beslissing.
Het bleek geen probleem te zijn. Gemeenteleden waren vooral geschrokken, omdat ze het niet hadden zien aankomen. Een enkeling bekende enigszins beschaamd dat zij niet had gedacht dat het een dominee ook kon overkomen. Als ik eerlijk ben, was het voor mezelf ook wennen, dat mijn eigen ‘falen’ zo publiekelijk zichtbaar werd. Maar dat het zo gebeurde heeft me als mens en als predikant tot een heler, want eerlijker feilbaar mens gemaakt.
Mijn ex-man kocht een huis in het dorp en we werden co-ouders. De helft van de week zorg ik, de andere helft hij. Hij is nog steeds betrokken bij de protestantse gemeente waar ik voorganger bleef. Door de jaren heen is het steeds gemakkelijker geworden om te overleggen over zaken die onze kinderen (van nu 17, 15 en 12 jaar oud) betreffen.

De beslissing

Een breuk tussen twee mensen roept altijd schrik, vragen en verdriet op. Zeker als er kinderen in het spel zijn is de instinctieve reactie er één van schrik. Een oordeel ligt zomaar op de loer.
Zijn er ook bijbelse argumenten tegen echtscheiding? Op die vraag is geen eensluidend antwoord. Het hangt er vanaf hoe je sommige bijbelteksten uitlegt.
Je kunt de tekst ‘wat God verbonden heeft mag een mens niet scheiden’ heel absoluut opvatten. Echter, ook als je gelooft dat God mensen verbindt aan elkaar is het de vraag of de Eeuwige achter elke trouwambtenaar staat om dat huwelijk te sluiten. Wij mensen gaan een huwelijk aan en zeggen ‘ja’. We overzien vaak niet waar we aan beginnen. God geeft zijn zegen als wij daarom vragen, maar kent ons goed genoeg om te zien dat er misschien geen zegen rust op wat wij proberen… Soms beginnen we aan iets onmogelijks.
Trouw zijn aan de ander en aan jezelf, dat is de uitdaging van elke relatie. De opgave ook. Gaat het één ten koste van het ander, dan gaat het verkeerd. De trouw aan de ander kan inhouden dat je jezelf uit het oog verliest en zelfs kwijtraakt. Dan kun je jezelf niet meer geven, dan ben je er niet meer echt. Weg is de relatie, want je bent er niet meer allebei. Of de trouw aan jezelf gaat ten koste van de ander – je eigen zoektocht staat voorop en de ander raakt uit het oog, de verbinding raakt weg door te grote afstand.

Toen de vrouw met wie ik nu getrouwd ben ging scheiden begrepen ze het in de kerk niet. Het was zo’n modelgezinnetje. Hij zat ineens met de kinderen voorin en zij alleen achterin. Hij wilde dat de wereld geloofde dat ze hem en haar kinderen had verlaten voor een ander. Maar was dat zo? Zij wilde een ander leven, niet het huwelijk voort zetten dat haar niet gelukkig maakte. Ze wilde zichzelf zijn.

Hoe regel je het?

Terwijl bij het ene stel de opluchting dat de beslissing eindelijk gevallen is overheerst, gaat bij een ander stel het gevecht dan nog maar net beginnen. Wordt de keus min of meer gezamenlijk gemaakt, dan kunnen de zaken met een mediator geregeld worden. Is er veel strijd en lukt het niet om samen om aan tafel de bezittingen te verdelen en te komen tot een goede regeling voor de kinderen, dan wordt het een rechtszaak.
In alle gevallen moet er veel geregeld worden. Moet het huis verkocht? Hoe gaat het verder met de zorg voor de kinderen? Gelukkig zijn er steeds meer stellen die kiezen voor co-ouderschap: gezamenlijke zorg voor de kinderen.
Aan een scheiding gaat meestal een lange periode van conflict, verdriet en spanning vooraf. Vaak onzichtbaar voor de buitenwereld. Op het moment dat de boodschap naar buiten komt is de beslissing vaak al gevallen. Is er dan nog ruimte om pastoraal iets te betekenen? Is er wellicht behoefte aan een ritueel om de relatie op een goede manier af te sluiten?

Ik denk dat God veel verdriet heeft van scheidende mensen. Mensen die eens, zelfs aan God, beloofden dat zij bij elkaar zouden blijven in voor- en tegenspoed, in ziekte en gezondheid tot de dood scheiding maakt.
Mijn relatie met geloof en kerk heeft gewankeld maar ik denk dat ik er, wat dat betreft, sterker uit ben gekomen. Hoewel schuldgevoelens soms de kop opsteken; ik ben mijn 'onschuld' kwijt geraakt. Maar dat is natuurlijk niet helemaal terecht, alsof mijn scheiding de enige 'schuld' is die ik heb. 

‘Goed scheiden’

Zelf zeg ik vaak: onze scheiding is de second-best optie. Nu het niet gelukt is om bij elkaar te blijven moet ik het beste maken van deze tweede keus. Maar eenvoudig is dat niet. Het is een paradox: na jaren van pijn en moeite kun je niet meer met elkaar verder, maar toch moet je in goede harmonie zaken regelen. Terwijl je vol zit met verdriet en boosheid moet je toch redelijk blijven en de ander zijn of haar deel gunnen.
Het is verdrietig dat al te vaak anderen deel worden van het conflict tussen twee mensen. Het wordt uitgevochten over de hoofden van de kinderen; vrienden en familie worden gedwongen om één kant te kiezen. Kunnen ex-partners die zich diep gekwetst voelen, dat voor zichzelf houden? Misschien is een pastor iemand bij wie gevoelens van boosheid en teleurstelling wel geuit kunnen worden.
Aandachtspunt is wel, dat het moeilijk kan zijn voor één persoon om beide partners pastoraal nabij te zijn.
Ook in de kerk wordt soms de partij gekozen van één van beide ex-partners. Deels is het aan henzelf om te zorgen dat pijnlijke kanten van het scheidingsverhaal binnenskamers blijven. Deels is het een kunst om als gemeente beide kanten van het verhaal te willen horen.

Ik ben lid van een behoudende gemeente. Onze predikant had begrip voor het feit dat ik wilde scheiden. Alle gemeenteleden en ambtsdragers steunden mij. Ik heb nooit iets negatiefs gehoord; zelfs mijn familieleden die van de Bondskerk zijn hebben mij altijd gesteund en geholpen.

En de kinderen?

Kinderen kunnen een argument zijn om bij elkaar te blijven, maar net zo goed kunnen stellen uit elkaar gaan omdat de kinderen lijden onder hun conflicten.
Kinderen zijn eindeloos loyaal aan hun ouders. Wordt er over hun hoofd of direct tegen hen kwaad gesproken door de ene ouder over de andere, dan worden ze in een loyaliteitsconflict gebracht.
De grootste opdracht aan scheidende ouders is dan ook: gun je kind de liefde, tijd en aandacht van de andere ouder. Geef de andere ouder de ruimte om op zijn of haar manier voor het kind te zorgen. Ook al vind je er van alles van… Zorg dat je kind nooit hoeft te kiezen, maar van beide ouders evenveel houden mag. Ook als je daarvoor van alles weg moet slikken.

Alleen verder…

‘Ik was bang om de straat op te gaan. Ik had het gevoel dat iedereen naar me keek’, vertelde een gescheiden vrouw me. Schaamte speelt een grote rol, al scheiden er nog zoveel mensen. Durft iemand die in scheiding ligt nog naar de kerk?
Als getrouwd stel heb je een netwerk, maar zodra het tot een breuk komt, moeten vrienden vaak ook kiezen. Het wordt moeilijk om naast beide ex-partners te staan; soms vragen degenen die gaan scheiden zelf om een keus.
Ook de schoonfamilie valt vaak weg. Zo vallen er gaten in het netwerk van degene die gescheiden is, terwijl er al veel vanzelfsprekendheden zijn weggevallen. Er moet iets nieuws opgebouwd worden. Zelfs als de scheiding eigen keus was, komt er na de eerste opluchting vaak een periode die minder gemakkelijk is. Het verlies van de relatie, de teleurstelling, het schuldgevoel wellicht… Het kost tijd om daarmee verder te leven.
En dan zijn er de dagen waarop de kinderen – als die er zijn – bij de ex-partner is. Die dagen geven vrijheid, maar je moet als gescheiden ouder vreselijk aan wennen aan het lege huis. Aan het steeds schakelen van volop alleen zorgen voor je kinderen naar loslaten.
In sommige gevallen is het vinden van een nieuwe partner onderdeel van de beslissing om te gaan scheiden. In andere gevallen is dat niet zo en wacht een leven als single, als alleenstaande ouder. We zijn niet gemaakt om alleen te zijn, zou je vanuit het scheppingsverhaal kunnen zeggen. En zo voelt het voor veel mensen ook… Wie heeft er nu niet behoefte aan intimiteit, aan aangeraakt worden, aan iemand die vraagt hoe je dag was en je welterusten zegt? Maar het is niet eenvoudig om een nieuwe partner te vinden als je geen twintig meer bent, de zorg voor kinderen hebt en een baan. Is er dan wel ruimte voor nieuwe liefde? Voor veel alleenstaande ouders geldt: de kinderen gaan voor.

Staan we er in de kerk voldoende bij stil dat voor velen de vanzelfsprekendheid van het gezin (vader-moeder-kinderen) er niet (meer) is? Dat is extra voelbaar op hoogtijdagen, bij overgangsmomenten en in de vakantie. De gemeente kan dan een thuis zijn, maar ook een plek waar het gemis niet gezien en daardoor extra gevoeld wordt.

donderdag 1 mei 2014

mediteren in een dorpskerk, artikel

Een gemeentelid die van mijn generatie is vertelde me dat ze zich schuldig voelt omdat de dienst op zondagmorgen haar zo weinig doet. Ze keek me verontschuldigend aan: ‘De preek, daar kan ik gewoon niets mee’. Ze bleek wel op zoek naar rust en stilte. Het was voor haar een hele opluchting dat de doordeweekse stilte-avonden in ons dorp wat mij betreft ook ‘kerk’ mogen heten. 
De momenten van stilte in een kerkdienst zijn de afgelopen jaren voorzichtig langer geworden. We beginnen ermee, voor de begroeting. Dat is voor velen een kostbaar moment geworden. Als voorganger doe ik mijn best om die stilte niet te kort te maken. Ik wacht of ik vogels hoor, en voor ik begin te praten haal ik nog een keer diep en rustig adem, en rek het zo nog even. 
Een enkele keer is er in een speciale dienst een uitgebreide stilte ter overdenking. Dat is voor de meesten in mijn dorpsgemeente nog een beetje wennen. En meditatie durf ik het niet te noemen.
Toch begonnen we een aantal jaren geleden met stilte-avonden, eens per maand, waar gemediteerd wordt. Ik betrap me er op dat ik in de aankondiging op de website en in de krant het woord ‘mediteren’ weglaat. Omdat ik bang ben dat het mensen afschrikt. Of ik noem het wel maar zeg erbij, dat er geen ervaring vereist is. De insteek van de avonden is zo laagdrempelig mogelijk. Wel christelijk, maar open voor wie zoekend is. Het heeft het karakter van een ‘inloop’, zonder verplichtingen. Inmiddels vinden ze plaats onder de vlag van ‘ZIN in Wijk bij Duurstede, ontmoetingsplek voor ZINzoekers’, een pioniersplek.

foto: Dirk-Jan Kraan
Aan de ene kant hopen we mensen aan te spreken die niet snel naar een klassieke kerkdienst zullen komen. Mensen op zoek naar balans, stilte en inkeer maar wars van het instituut. Tegelijk is de vorm aantrekkelijk voor kerkelijke mensen die verdieping willen, anders dan in een zondagse viering. De doordeweekse stilteavond kan voor hen een poging zijn om geloven een plek te geven in het doordeweekse ritme, om te oefenen in verstilling.  
Dit zijn heel verschillende groepen. Of raken ze elkaar toch?
Al doende maak ik – intuïtief – allerlei keuzes.
Ruimte
De stilte avonden vinden plaats in de kerk. Het is een klein, oud, sfeervol gebouw dat warmte uitstraalt. Je voelt de ‘wolk gebeden’ van eeuwen er hangen. Het licht kan er gedempt worden en er kunnen kaarsen aan. Het kerkgebouw heeft talent voor stilte, hoewel daar op zondagmorgen vaak niet veel van te merken is. Dan wordt de tijd voor en na de dienst vooral benut om met elkaar bij te praten, naar goed protestants gebruik. 
Het kan er wel eens koud zijn in de winter, dus zorg ik dat ik extra omslagdoeken bij me heb. Want mediteren terwijl je een koude stroom langs je rug voelt gaan, dat werkt niet.
We zitten bij de meditatie in de banken of op stoelen. Ieder zoekt zelf een plekje. Zorg voor een goede houding is een onderdeel van de avonden, maar de ruimte is niet zo geschikt om op de grond – op meditatiebankjes of kussens - te mediteren. Bovendien is het een hele stap om die te gaan aanschaffen. Dus we doen het met de kerkbanken en –stoelen, hoewel misschien niet ideaal. Er is een prima installatie om muziek af te spelen gelukkig, want meditatieve muziek maakt altijd deel uit van de avond. 

Totnutoe heb ik ervoor gekozen ieder vrij te laten in het zoeken van een plekje. De een schuift wat verder naar achteren in een bank, een ander komt op een stoel vooraan zitten. Inmiddels vraag ik me af of het toch niet beter is de deelnemers uit te nodigen een kring te vormen. Wie liever eerst toekijkt kan altijd nog wat meer afstand nemen. 
De inrichting van de kerk wordt voor een stilteavond enigszins aangepast. Op de tafel staat de gebruikelijke Paaskaars, maar daarnaast zet ik een icoon neer (de vriendschapsicoon uit Taizé) en een vriendenkring. Soms staan er ook bloemen; van kloosterlingen leerde ik hoe belangrijk schoonheid is voor de ziel. 
De avond begint altijd met het aansteken van licht. De Paaskaars en een lichtje voor de icoon branden al als bezoekers binnenkomen en er klinkt meditatieve muziek die een stille bepaalde sfeer schept. Het aansteken van licht markeert het begin van de meditatie.
Ontmoeting 
Elke stilteavond begint met koffie in de consistorie van de kerk. In de aankondiging wordt gemeld dat ‘elkaar ontmoeten’ onderdeel uitmaakt van de avond. We maken een rondje om ons aan elkaar voor te stellen. De samenstelling van de groep is steeds weer anders. De hoeveelheid bezoekers kan variëren van 3 tot 10 ongeveer. 
Bij de koffie vertellen we over wat ons bezighoudt en wat we hier zoeken. Dat kan via een informeel gesprek of met behulp van een kleine werkvorm. Vaak vertel ik iets inhoudelijks over meditatie. En verder leg ik uit wat we precies gaan doen als we in de kerk plaatsnemen. . 
Bij mezelf bemerkt ik altijd een aarzeling als we ons verplaatsen naar de kerk. Misschien hoort dat onlosmakelijk bij de stilte; je moet een drempel over om die aan te gaan. 
Na het aansteken van licht luisteren we naar muziek, ‘om te landen op de plek waar we zitten’ zeg ik er meestal bij. Het kan Taizé muziek zijn, of instrumentale muziek. 
Wat volgt is een oefening om goed op de stoel te zitten (de voeten op de aarde, de kruin naar de hemel gericht), het lijf te ontspannen en bewust te worden van de ademhaling. Het is bijzonder en ook wel een beetje ‘gek’ om zo met je lijf bezig te zijn in een ruimte waar men doorgaans gedachteloos in een bank zakt.
We nemen de tijd om een stille houding aan te nemen. Ik lees een tekst voor, meestal uit de Bijbel en nodig mensen uit om op de tekst te ‘kauwen’ zoals dat in de lectio divina gebeurt, om te ervaren wat de tekst hen op dit moment te zeggen heeft.  
Bijbel 
Het is een bewuste keus om steeds weer de Bijbel open te slaan tijdens de stilte avonden. Steeds weer vraag ik me af, of het niet teveel is. Komen mensen niet vooral om tot zichzelf te komen? Is de stilte op zich genoeg? Hebben ze ruimte voor en behoefte aan ‘input’? 
Steeds leg de keus uit (vooral aan mezelf?) en vertel dat meditatie een vorm van concentratie is die op zich kan staan, maar waarbij je ook ruimte kunt maken om aangesproken te worden. Meditatie kan zijn: vertrouwen op en verlangen naar Gods aanwezigheid. Omdat er ook mensen kunnen zijn die niet in God geloven ben ik voorzichtig in mijn bewoordingen, om ruimte te laten voor wie het anders beleeft.
Er is nog een ander motief: ik geloof in de kracht van bijbelverhalen. En ik heb gemerkt dat die verhalen anders en soms intenser binnenkomen als ze zonder uitleg klinken, in de stilte. 
Na muziek is er ruimte om in een kring kort een ervaring te delen. Dan sluiten we af met een avondgebed. Wie wil mag aan kaarsje aansteken en daar een intentie bij uitspreken. Ik laat ruimte voor wie daarbij niet tot God bidt. We zingen een avondlied en gaan met een zegen naar huis. 
In deze afsluiting kan wat in de meditatie opgekomen is of wat bezoekers aan zorgen mee naar binnen namen gedeeld worden met elkaar, en met God. Het is vaak ontroerend; hier vanuit de stilte gebeurt kerk. 

verschenen in: Meditatief leven jaargang 5 nummer 2 "Mediteren en de kerk". 

vrijdag 27 december 2013

Sponsor de preek - actie voor Serious Request

Een kleine actie voor Serious Request rond de Kerstnachtdienst leverde bijna 600 euro en veel reactie op.
Lees meer... 



donderdag 30 mei 2013

In de krant.. de rol van kerken bij een crisis

De kerk als ruimte voor het delen van de vragen
Hanneke Goudappel
donderdag 23 mei 12:45
Ineens komt iets waar je van afstand naar hebt gekeken, je eigen wereld binnen. Zo omschrijft ds. Rebecca Onderstal uit Cothen het moment waarop de lichamen van de broers Julian en Ruben uit Zeist vlak buiten het dorp werden gevonden.
De lichamen werden zondag door voorbijgangers gevonden. ,,Die zondagmiddag hadden we als kerken van Wijk bij Duurstede en omgeving een grote pinksterviering op de markt in Wijk bij Duurstede. Daar was ook gebeden voor de kinderen. We waren aan het opruimen toen het bericht kwam dat de lichamen mogelijk waren gevonden.”

Schrik

Wijk bij Duurstede had al een extra betrokkenheid bij de situatie, omdat de vader van de jongens hier vandaan komt, en er familie en vrienden van hem wonen. ,,Nu was ook mijn eigen gemeente Cothen, ineens verbonden aan het vinden van de jongens”, blikt ds. Rebecca Onderstal, predikant van de protestantse gemeenten in Cothen en Wijk bij Duurstede, terug. ,,Ik kwam met grote schrik thuis.”

’s Avonds twitterde de predikante: ‘Ik zet de deur van onze kerk maar open.. kaars aan.. #cothen #protestantsekerkaandeBrink’. ,,Daar kwamen ontzettend veel reacties op via de sociale media”, vertelt ze.

Vervolgens heeft ze met de burgemeester gebeld. ,,We zijn in Wijk bij Duurstede een paar jaar geleden gaan nadenken over de rol van de kerken bij een crisis. Na de Bijlmerramp heeft de Protestantse Kerk in Nederland daarvoor een cursus ontwikkeld. Die hebben we als kerken in Wijk bij Duurstede gevolgd. Alle kerken hebben toen de intentie uitgesproken dat wanneer er iets zou gebeuren, wij voor de pastorale zorg zorgen.”

Verdriet en vragen

De burgemeester nam het aanbod van Onderstal om de kerk open te doen, aan. ,,Ook de katholieke kerk was open. De Mariakapel bij deze kerk is eigenlijk altijd open.”

Op maandagochtend was het vooral de pers die naar de kerken kwam. ,,Later die dag kwamen er ook veel mensen die even een kaars wilden opsteken. Ze konden iets opschrijven als ze dat wilden. Daar werd veel gebruik van gemaakt. Het was tweede pinksterdag, en was weinig open waar mensen elkaar konden treffen.”

Het ging niet om grote stromen mensen die de kerken bezochten, zegt Onderstal. ,,Het ging in de protestantse kerk om tientallen, in de katholieke kerk kwamen er nog meer mensen. Geen ramptoeristen, maar mensen met verdriet en heel veel vragen. Je ziet bijvoorbeeld mensen voor wie deze gebeurtenis raakt aan oud verdriet. Aan iets heftigs wat ze zelf hebben meegemaakt. Ook kwam ik mensen tegen die zelf met een scheiding hebben te maken (gehad). De teneur was verbijstering.”

Koffie

Terugkijkend meent Onderstal dat de kerk openstellen het beste is wat je als kerkelijke gemeente kunt doen in een crisissituatie. ,,Veel meer hoeft niet. Zorg dat er kaarsjes zijn, zorg voor vrijwilligers en zet koffie.”

,,Ik vergelijk de kerk met een vriendenkring – een stenen beeld van mensen in een kring, die de armen om elkaar hebben geslagen, met in het midden het Licht”, zegt Onderstal. ,,In een situatie als deze zoeken mensen vaak naar schuldigen, op wie ze hun boosheid kunnen richten. De kerk is een plek die de ruimte biedt voor de vragen, en die ze openlaat. Een plek waar je een lichtje aansteekt, als teken van hoop, van verwachting, van de aanwezigheid van God.”

Burgemeester Tjapko Poppens van Wijk bij Duurstede heeft gisteren een bezoek gebracht aan de ouders van de vader van Julian en Ruben. Volgens de burgemeester heeft de Wijkse gemeenschap veel begrip voor het verdriet van de familie van de vader. Dat merkt ook Onderstal. ,,Het is onze verantwoordelijkheid om ook met hen mee te leven. Dit hebben ze niet kunnen zien aankomen. Familie en vrienden kenden de kinderen goed. Zij moeten hier ook mee verder.”
* verschenen in het Friesch Dagblad en op de website Het Goede Leven op 23 mei 2013

zaterdag 4 februari 2012

mannelijk?!

zie: http://www.staatgeschreven.nl/2012/02/04/het-is-gods-bedoeling-dat-het-christendom-mannelijke-is/
voor een gastblog van mijn hand, over de vraag of het bijbels te onderbouwen is, dat leiderschap (in de kerk) aan mannen is voorbehouden